05-02-2010

Brief van arts-seksuoloog en maatschappelijk werker

AFSCHRIFT VAN EEN BRIEF

Van:

Dr. Rik H.W. van Lunsen, arts-seksuoloog NVVS

Voormalig voorzitter bestuur ACSG/MR70

Marion E. Kreyenbroek , maatschappelijk werker

Aan:

Mw. Dr. J. Bussemaker, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Postbus 20350

2500 EJ Den Haag

Mw. Drs. M. Vos, Wethouder Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare Ruimte en Groen Amsterdam

Betreft: hulpverlening seksuele gezondheid Amsterdam

Amsterdam 4 februari 2010

Uwe Excellentie,

In reactie op de berichtgeving in de media en de gebeurtenissen rond de financiële en ruimtelijke problemen bij het Amsterdams Centrum voor Seksuele Gezondheid ACSG(voorheen MR 70) en de Oosterparkkliniek vragen wij U aandacht voor onze grote bezorgdheid.

Wij brengen in herinnering dat het in 1967 Prof. Dr. G.J.Kloosterman was, die als eerste in ons land in De Vrouwenkliniek van het Wilhelmina Gasthuis, overging tot het instellen van een “abortuscommissie” ter beoordeling van de aanvragen tot het afbreken van ongewenste zwangerschappen. Deze stap was even baanbrekend als de opening van een polikliniek voor geboorteregeling in 1965 om aankomend artsen te kunnen onderwijzen op het gebied van seksualiteit, vruchtbaarheid en anticonceptie. Niet lang daarna ontstonden de Oosterparkkliniek en het huidige ACSG vanuit de overtuiging dat deze zorg ook op een veilige, goed toegankelijke plaats buiten de muren van ziekenhuizen beschikbaar moest zijn, vooral ook om veiligheid, privacy en anonimiteit van vrouwen in nood te kunnen garanderen. Deze ontwikkelingen in Amsterdam hebben destijds een cruciale rol gespeeld bij de totstandkoming van een systeem van abortushulpverlening en seksuele gezondheidszorg dat Nederland een internationale voortrekkersrol heeft gegeven en heeft geleid tot de beste statistieken met betrekking tot vele aspecten van seksuele gezondheid ter wereld.

Sinds vele jaren nemen de diverse extramurale eerstelijnsklinieken samen 90% van de abortushulpverlening voor hun rekening en hebben ziekenhuizen hierbij slechts een beperkte of aanvullende rol. Bij vragen en/of problemen op het gebied van seksuele gezondheid kan men zich bovendien veelal wenden tot dezelfde laagdrempelige extramurale instellingen, met veel zorg rond privacy en anonimiteit en met medewerkers die getraind en zeer ervaren zijn in het geven van adequate, empatische en niet-oordelende zorg, Dit model van zorg functioneert goed. Nog onlangs is een succesvolle aanvang gemaakt met specifieke seksualiteitshulpverlening voor jongeren onder de 25 jaar in de vorm van “Sense” hulpverlening, dat in Amsterdam naar volle tevredenheid en leidend tot wederzijdse deskundigheidsbevordering, georganiseerd is vanuit een samenwerkingsverband tussen GGD en ACSG. Het heeft er nu alle schijn van dat door het opheffen van de twee Amsterdamse klinieken en het “uit”plaatsen van abortushulpverlening naar één ziekenhuis een einde gaat komen aan de bestaande geïntegreerde en bovenal hooggekwalificeerde zorg rond seksuele gezondheid in Amsterdam. Het is onbegrijpelijk dat dit gebeurt juist op het moment dat u in uw beleidsbrief “seksuele gezondheid” d.d. 27 november 2009, waarvan wij met veel vreugde kennis hebben genomen, op afgewogen wijze en met veel kracht het belang heeft onderstreept van een geïntegreerd zorgaanbod rond seksuele gezondheid.

De huidige ontwikkelingen in Amsterdam lijken echter een trendbreuk op te gaan leveren in een goed werkend zorgsysteem en zijn in flagrante tegenspraak met uw bovengenoemde beleidsbrief. Het exclusief onderbrengen van de abortushulpverlening in een ziekenhuis staat op gespannen voet met de eisen van keuzevrijheid, anonimiteit, veiligheid en laagdrempeligheid die aan deze hulpverlening gesteld moeten worden. Abortushulpverlening wordt hiermee bovendien geïsoleerd van de noodzakelijke recidivepreventie en daarmee samenhangende hulpverlening rond anticonceptie, seksueel functioneren en seksuele dwang. Het exclusief onderbrengen van abortushulpverlening in een ziekenhuis, waar per definitie de noodzakelijke expertise op het brede terrein van seksuele gezondheid ontbreekt, is een uiterst onwenselijke ontwikkeling met mogelijk grote gevolgen voor de abortushulpverlening in ons land. Als er één schaap over de dam is, volgen er ongetwijfeld meer die abortushulpverlening tegen commerciële tarieven gaan aanbieden ontdaan van de noodzakelijke randvoorwaarden voor vrouwengezondheid. Wordt een dergelijke ontwikkeling door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) wellicht om economische redenen toegejuicht? Vrouwen in Amsterdam en wellicht in Nederland hebben hier echter weinig goeds van te verwachten, zoals ten overvloede geïllustreerd wordt door volkomen onoordeelkundige en ten hemel schreiende uitlatingen van de directeur van het betrokken Amsterdamse ziekenhuis in de pers.

Wij verzoeken U dan ook dringend om er zorg voor te dragen dat er in Amsterdam een oplossing komt die het voortbestaan van samenhangende extramurale en hooggekwalificeerde zorg op het gebied van seksualiteit, vruchtbaarheid, anticonceptie en ongewenste zwangerschap garandeert.

Hoogachtend,

Rik van Lunsen en Marion Kreyenbroek

Verontrustte Amsterdammers